Uitspraak
Esperanto heeft een lettervaste uitspraak. De klinkers (a, e, i, o, u) worden uitgesproken zoals in de woorden tante, test, titel, foto, en u als de oe in boer. De klinkers mogen niet gerekt worden. De halfklinker ŭ komt alleen voor samen met a of e (aŭto, aŭtoro, Eŭropo, neŭtrala). eŭ wordt uitgesproken zoals het geschreven is, ongeveer als "ew", met w zoals in het Nederlandse woord water.
Bij de medeklinkers moeten stemhebbende en stemloze klanken duidelijk apart uitgesproken worden. De r wordt, indien mogelijk, met de tongpunt uitgesproken, zoals in het Nederlands, Pools, Russisch, Italiaans of Spaans. De volgende tekens wijken van ons alfabet af:
- C – ts (caro – tsaar)
- Ĉ – tsj (ĉeĥo – Tsjech)
- G – harde g (ganto – zoals "gant" in het Frans, niet als de Nederlandse keel-g)
- Ŝ – ch/sj (maŝino – machine)
- Ĵ – stemhebbend j (ĵurnalo – journaal)
- Ĝ – dzj (ĝangalo – jungle)
- Ĥ – ch (eĥo – echo)
- U – oe (zumi – zoemen)
- Ŭ – w (aŭto – auto)
⚠️ Waarschuwing: c is altijd "ts" en ĝ is altijd "dzj". Lees ze niet als de Nederlandse c in "citroen" of als g.
💡 Ezelsbrug: de vijf klinkers blijven kort en helder: a - e - i - o - u klinkt altijd hetzelfde, ook midden in een woord.
Internationaal verspreide leenwoorden worden in het Esperanto overgenomen met de overeenkomstige Esperantoschrijwijze en uitgang:
- telefono
- naturo
- internacia
Klemtoon
De klemtoon ligt op de voorlaatste lettergreep, dus op de voorlaatste klinker. Naast elkaar staande klinkers versmelten niet, maar vormen aparte lettergrepen. Dus:
- instru-i
- mi-a
- famili-o
⚠️ Waarschuwing: tel de klinkers echt apart. familio heeft vier lettergrepen: fa-mi-li-o.
Woordsoorten
De woordsoort herkent men onmiddellijk aan de uitgang:
Zelfstandig naamwoord: -o
- amiko – vriend
- laboro – werk
- libro – boek
- skribo – geschrift
Werkwoord in de noemvorm (infinitief): -i
- labori – werken
- sidi – zitten
Werkwoord in de tegenwoordige tijd: -as
- li sidas – hij zit
- ili laboras – zij werken
- mi lernas – ik leer
Meervoud
Het meervoud wordt bij zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden gevormd door toevoeging van "j":
- amiko – vriend / amikoj – vrienden
💡 Ezelsbrug: -o noemt het ding, -j maakt er meer van. Later krijgt ook het bijvoeglijk naamwoord die -j.
Lidwoord
Er is alleen het bepalend/bepaald lidwoord la, dat gelijk is voor enkelvoud en meervoud:
- la amiko – de vriend
- la amikoj – de vrienden
- la ĉambro – de kamer
Het Nederlandse onbepalend/onbepaald lidwoord 'een' wordt niet vertaald:
- Het is een schrijftafel – Ĝi estas skribotablo.
⚠️ Waarschuwing: zet geen woord voor Nederlands "een" wanneer het alleen een onbepaald lidwoord is. Alleen het getal "één" vertaal je met unu.
Ja / Neen
Het antwoord op eenvoudige vragen luidt jes – ja of ne – neen:
- Jes, la patro estas en la ĉambro.
- Ne, la libro ne estas sur la tablo.
De ontkenning "ne" staat in de regel voor het werkwoord.
Voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden - Bezittelijke voornaamwoorden
- mi – ik / mia – mijn
- vi – jij, gij, u / via – jouw, uw
- li, ŝi, ĝi – hij, zij, het / lia, ŝia, ĝia – zijn, haar
- ni – wij / nia – onze
- vi – jullie / via – jullie
- ili – zij / ilia – hun
Ĝi gebruik je voor dingen en dieren wanneer het geslacht niet belangrijk is.
zijn – esti
Estas is de tegenwoordige tijd van het werkwoord esti – zijn.
- mi estas – ik ben
- vi estas – jij bent
- li/ŝi/ĝi estas – hij/zij/het is
- ni estas – wij zijn
- vi estas – jullie zijn
- ili estas – zij zijn
💡 Ezelsbrug: bij werkwoorden verandert de persoon niets aan de uitgang. Mi estas, vi estas en ili estas gebruiken allemaal dezelfde vorm.
Vraagwoorden
Esperanto-vraagwoorden beginnen met ki-.
- kiu? – wie? welke?
- kio? – wat?
- Kiu vi estas? – Wie ben jij?
- Kio estas sur la tablo? – Wat is er op de tafel?
Ĉu?
De volgorde van de zinsonderdelen is in het Esperanto vrij. In de regel wordt de voorkeur gegeven aan de volgorde onderwerp-gezegde-voorwerp. (Een andere volgorde dient meestal om de nadruk te leggen op de eerste zinsdelen.) Terwijl in het Nederlands eenvoudige vraagzinnen door omkering ontstaan, wordt in het Esperanto "Ĉu" vooraan gezet en blijft de oorspronkelijke woordvolgorde bewaard.
- Ze werken nu. – Ili nun laboras.
- Werken ze nu? – Ĉu ili nun laboras?
- Onderwijst de moeder? – Ĉu la patrino instruas?
Achtervoegsel -ist
duidt een beroep of een levensbeschouwelijke, politieke of religieuze richting aan:
- hotelisto – hotelier
- esperantisto – Esperantist
- policisto – politieman
- socialisto – socialist
Achtervoegsel -in
heeft de betekenis "vrouwelijk":
- patro – vader
- patrino – moeder
- lernanto – leerling
- lernantino – leerlinge
- instruisto – leraar
- instruistino – lerares
⚠️ Waarschuwing: -in maakt een woord vrouwelijk. Het is geen verkleinuitgang; een klein boek is dus libreto, niet iets met -in.